Islam - een samenvatting

Lange tijd heeft de Christelijke Kerk de Islam beschouwd als sekte die onder invloed van de 'pseudoprofeet' Mohammed van de moederkerk was afgedwaald. Tegenwoordig worden juist de verschillen benadrukt en wordt de Islam gezien als een echt andere godsdienst (zij het, vanwege het monotheïstische karakter, wel verwant aan Jodendom en Christendom).

In dit verband wordt ook heel verschillend gedacht over de vraag of moslims en christenen in dezelfde God geloven of niet. In deze notitie is getracht zo objectief mogelijk een beknopt overzicht te geven van een aantal kenmerken van de Islam.

 

Naam en stichter

De betekenis van de naam 'Islam' is overgave. De belijders van de Islam worden 'moslims' genoemd. Stichter van de islamitische godsdienst is de profeet Mohammed. Mohammeds missie werd volgens de Koran voltooid met de volgende openbaring: "Heden heb Ik [Allah] voor u uw godsdienst volmaakt en heb Ik over u mijn gunst voltooid en heb Ik de Islam voor u als godsdienst uitgekozen."

 

De geloofsleer

De algemeen geldige islamitische geloofsbelijdenis luidt: "Ik belijd, dat er geen god is dan Allah [=God] en dat Mohammed zijn gezant [apostel, profeet] is." Dit sluit in dat de Koran (die in principe slechts voor één uitleg vatbaar is) een goddelijke oorsprong heeft en dat de geloofsleer daaruit afgeleid moet worden. De naam Allah is geen eigennaam en wordt daarom ook door Arabische christenen gebruikt om de God van de Bijbel mee te benoemen.

De geloofsleer bevat vijf hoofd-aspecten: God, de engelen, de profeten (van Abraham tot Mohammed), de Schriften (naast de Koran ook de Bijbel, voorzover niet in tegenspraak met de Koran) en de Laatste Dag (met de scheiding van goeden en kwaden, die gaan naar het paradijs of de hel). Belangrijkste bron voor de geloofsleer is de Koran. De Koran (= 'dat wat gereciteerd wordt') bestaat uit rechtsregels, geloofsartikelen, ethische normen, opwekkingen tot overdenking van Gods almacht, leerzame verhalen (van profeten en volken), beloften en vermaningen.

Volgens de overlevering is de Koran vrijwel direct na de dood van de profeet (in 632) geschreven door de persoonlijk secretaris van Mohammed, die zich baseerde op schriftelijke en mondelinge bronnen. Sommige uitspraken in de Koran zijn tegenstrijdig (doordat de profeet, op grond van openbaringen, van mening veranderde); in die gevallen geldt de laatst gedane uitspraak. Het is opvallend dat de Koran, en daarmee de geloofsleer, aansluit op de joodse en christelijke geloofsleer. Zowel personen als leringen zijn uit de Bijbel overgenomen, zij het in een andere vorm dan in de Bijbel zelf en met het uitdrukkelijke doel de in de Koran opgenomen openbaringen aan Mohammed te ondersteunen.

De Islam ziet de Koran als correctie op en voltooiing van wat in de Bijbel is geopenbaard (in die zin is de Islam al de dialoog aangegaan met het Christendom!). Er zijn dan ook opvallende overeenkomsten, zoals het geloof in de ene Almachtige God en Schepper, de maagdelijke geboorte van Jezus, het doen van gerechtigheid (vooral in oud-testamentische zin) etc.

Opvallende verschillen zijn o.a.:

- het gebod van de onvoorwaardelijke naastenliefde komt in de Koran niet voor (de verhouding tot de naaste is afhankelijk van de situatie);

- de vergeving van de zonden door God: daarvoor is geloof nodig, maar het is God zelf die beslist of Hij vergeeft en daarover bestaat dus geen zekerheid; van verzoening en een middelaar is daarbij geen sprake (en evenmin van erfzonde en –schuld);

- de persoon van Jezus: Hij is een zeer belangrijke profeet en als schepsel zelfs vergelijkbaar met de eerste mens (Adam), maar Hij is geen Zoon van God; Hij is evenmin de kr uisdood gestorven (want God zorgt immers goed voor zijn profeten);

- de positie van Mohammed, als afsluitend zegel op alle profeten vóór hem.

 

De wetgeving

Evenals in het Oude Testament, zijn in de Islam de geloofsleer en de wetgeving nauw op elkaar betrokken en dat is in het dagelijks leven van moslims (met name in moslimlanden) goed te merken. De Wet (Sharia) is op drie bronnen gebaseerd: de Koran (de hoogste autoriteit), de Soenna van de Profeet (op schrift gestelde uitspraken van Mohammed als aanvulling op de Koran), en tot slot (als beide geen uitsluitsel geven) het oordeel van de gezamenlijke schriftgeleerden.

De wet gaat (net als die in de Bijbel) over allerlei aspecten van het leven. Tot de Wet behoren ten eerste de voorschriften over het godsdienstige leven.

Die zijn samengevat in de 'vijf zuilen van de Islam':

- de geloofsbelijdenis

- het verrichten van de salat (het gebed, vijfmaal daags)

- het geven van zakat (liefdegave),

- het vasten tijdens de maand ramadan en

- de hadj (de pelgrimstocht naar Mekka, door wie daartoe in staat is).

Daarnaast bestaat de Wet uit vele voorschriften voor het maatschappelijke leven (eten, huwelijk, eigendom, handel, strafrecht, staatsrecht etc.). Lang niet alle voorschriften bestaan uit verplichtingen of verboden; een deel bestaat namelijk uit uitspraken of iets 'prijzenswaardig' of 'verwerpelijk' is en deze uitspraken kunnen aan verandering onderhevig zijn (bijvoorbeeld die t.a.v. sluierdracht en vrouwenbesnijdenis). De laatste stand van zaken op deze punten is af te leiden uit fatwa's van schriftgeleerden.

 

Geloofs- en wetsrichtingen in de Islam

Binnen de Islam bestaan twee hoofdstromingen, die zich met name onderscheiden in de voorgestane staatsvorm: de Soennitische Islam en de Sjiïtische Islam (de laatste hangt de theocratie aan, met een staatrechtelijke functie voor ayatollahs). De eerste hoofdrichting is in Nederland verreweg de grootste. Binnen de Soennitische Islam zijn er vier wetsrichtingen (gebaseerd op de in verschillende streken ontstane wetstraditie van schriftgeleerden; daardoor behoren Marokkanen in het algemeen tot een andere wetsrichting dan Turken). Elke wetsrichting kent ook verschillende theologische posities, waarvan een midden-orthodoxe de meest voorkomende is, maar er zijn ook streng-orthodoxe en vrijzinnige stromingen. Hieruit blijkt dat er net zomin over 'dé Islam' gesproken kan worden als over 'hèt Christendom': in beide gevallen is er een behoorlijk grote diversiteit.

 

Verhouding tussen moslims en christenen

Het benadrukken van de verdraagzaamheid van de Islam is een betrekkelijk recent verschijnsel en moet gezien worden als een reactie van Europese schrijvers op de (vermeende) onverdraagzaamheid van het Christendom. Verdraagzaamheid als humanistisch-democratisch beginsel van de erkenning van het recht van elk mens op diens eigen godsdienstige opvattingen (of de afwezigheid daarvan) maakt echter geen onderdeel uit van de islamitische norm. De Islam zelf maakt duidelijk onderscheid tussen drie groepen mensen: moslims, schriftbezitters (joden en christenen: zij geloven immers in dezelfde God als de moslims) en ongelovigen. Volgens de Koran behoort een moslim verdraagzamer te zijn ten opzicht van schriftbezitters dan tegenover ongelovigen (die bestreden dienen te worden omdat ze geen recht van bestaan hebben). In dit verband wordt onderscheid gemaakt tussen het 'gebied van de Islam' (waar de islamitische wet gevolgd wordt) en het 'gebied van de oorlog' (waar dat niet gebeurt). Binnen het gebied van de islam genieten joden en christenen 'protectie' indien zij zich aan het islamitisch gezag onderwerpen. Bewoners van het gebied van de oorlog kunnen volgens de Koran alleen m.b.v. een tijdelijk vrijgeleide het islamitische gebied binnengaan (zo werden in het verleden vreedzame contacten, zoals handel, toch mogelijk gemaakt met mensen uit gebieden waar men eigenlijk mee op voet van oorlog stond).

Tegenwoordig wordt de djihad (de heilige oorlog) vooral defensief uitgelegd, maar daartoe behoort dan wel de strijd tegen het zionisme (waardoor immers een gedeelte van het gebied van de Islam verloren is gegaan). De grote aanwezigheid van moslims buíten het gebied van de Islam vergt een herbezinning op de voorschriften vanuit de Koran.