Dominee Online > Woordenboek > Genadegaven

Genadegaven

Dit onderwerp, de genadegaven, is nogal stiefmoederlijk bedeeld de laatste eeuwen. Ouderen onder ons hebben er nauwelijks over horen preken, in de Heidelbergse catechismus wordt er nagenoeg niets over geleerd en op catechisatie werd er vroeger niet over gesproken. Velen van ons zullen lange tijd het idee hebben gehad, dat het niet de moeite waard was om je er druk over te maken. Vrij algemeen heerst de mening dat de Geest in de jeugd van de Kerk als een waterval van de berghoogten over de Kerk stortte maar nu als een rustig kabbelende rivier door het landschap stroomt.

Maar de laatste tijd, sinds enkele tientallen jaren, is toch wat verandering in deze mening gekomen. Niet alleen van Angelsaksische zijde maar ook uit de reformatorische hoek is het een en ander aan studiemateriaal verschenen. Hoe belangrijk het is hiervan kennis te nemen blijkt uit wat iemand eens schreef: ‘De Geest werkt niet alleen onder gereformeerden. Dat verplicht ons om in onze Bijbellezing en -uitleg voluit rekening te houden met wat andere leestradities hebben opgeleverd aan inzicht en kennis van de Bijbel. Hoe breder onze leeshorizon is, hoe dieper ons Schriftverstaan kan worden.

 

Definities

Om te beginnen een paar omschrijvingen van de genadegaven en de bedoeling, die God er mee heeft. De genadegaven zijn bedoeld tot opbouw van de kerk, omgekeerd: geen gaven, geen opbouw. Calvijn zag de gaven als versiering van het rijk van Christus, misschien heeft hij gedacht aan 2 Cor. 11:2, waar Paulus schrijft dat hij jaloers is om de gemeente als een reine maagd aan Christus voor te stellen bij Zijn komst, het huwelijk van Christus met Zijn bruid, die uiteraard behangen moet zijn met versierselen. Een ander noemt de gaven het communicatiemiddel van God naar zijn kerk, de middelen waardoor God Zijn wil kenbaar maakt in bepaalde situaties. Genadegaven zijn voor de kerk bedoeld om, nadat ze eerst zelf is opgebouwd, de genade van God aan de wereld door te geven.

 

Doel en gevolgen

Alleen dat, wat God door Zijn gaven in en door mensen tot stand brengt heeft voor Hem waarde, dat is het goud, zilver en kostbaar gesteente, en wat we zelf in eigen kracht doen, is hout, hooi en stoppelen. De gaven laten zien dat we een partnerschap met God hebben, of, anders gezegd, dat Hij onze handen gebruikt om Zijn zegen door te geven, onze stem mag woorden van God spreken (1 Petr. 4:11). De gaven maken duidelijk dat God aanwezig is, bijvoorbeeld in 1 Cor. 14:24,25, waar een ongelovige tot erkenning komt dat God in het midden van de gemeente is, omdat door de gave van profetie de geheime dingen van zijn hart aan het licht gebracht worden. Iets soortgelijks lezen we ook in Han. 8:18,19, Simon biedt de apostelen geld aan omdat hij ziet dat door hun handoplegging de Heilige Geest aanwezig is in de discipelen.

 

Door de gaven wordt de vrucht van de Geest Gal. 5:22) tot openbaring gebracht. De gaven hebben ook alles te maken met de eenheid van de kerk, de drie bekendste opsommingen Rom. 12, 1 Cor. 12 Ef. 4) staan juist in dit verband.

 

Een ander gevolg van het functioneren van de genadegaven is, dat Jezus wordt verheerlijkt, ‘niemand kan anders dan door de Heilige Geest zeggen: Jezus is Here’ (1 Cor. 12:3). Ze zijn niet een beloning voor goed gedrag, geen teken van een bereikte trap van heiligheid, maar werktuigen tot dienst. Charisma in zijn breedste zin is: de roeping van God, gericht aan het individu, tot een bepaalde dienst in de gemeente, een roeping die tegelijk de mens in staat stelt om deze roeping te vervullen. Nu worden nog velen getrokken tot het spectaculaire van spiritisme, waarzeggerij en andere occulte praktijken, men zoekt zekerheid in de schijnzekerheid, die de duivel geeft. Maar zouden de genadegaven voluit functioneren in de kerk, dan zou het werk van de satan onmiddellijk zijn aantrekkingskracht verliezen. We zouden machtig kunnen triomferen over het demonische om ons heen.

 

In Heb. 6:5 worden de genadegaven krachten der toekomende eeuw genoemd, m.a.w., door de genadegaven krijgen we alvast een voorproef van die tijd waarin Christus volkomen zal heersen, er geen ziekte, honger, armoede, oorlog en andere ellende meer zal zijn. De gave en de gaven van de Geest worden een onderpand van onze toekomstige erfenis genoemd (Ef. 1:13, 4:30), om ons steeds meer verlangend te laten worden naar het komende Rijk en om ons daarop voor te bereiden. Uiteraard gelden deze definities niet voor elke gave afzonderlijk, maar voor alle gaven samen.