Dood

1. Biologisch-medisch

Alles wat in de natuur leeft, plant, dier en mens, heeft een beperkte levensduur, aan het einde waarvan de dood intreedt. Het is met de dood als met het leven: tot nog toe is niemand er in geslaagd een volkomen bevredigende definitie te geven. De dood is slechts te bepalen met behulp van het leven of levende. Men heeft hem gedefinieerd als het verlies van het leven, maar zo’n omschrijving zegt weinig, als niet gezegd wordt wat leven is. Het levende heeft bepaalde kenmerken o.a. van stofwisseling, groei en voortplanting. Men spreekt van de dode en de levende natuur. De grens daar tussen werd tot voor kort scherp getrokken; tegenwoordig beschouwt men het virus als te staan op de grens van levende en dode natuur. De dood gaat gepaard met verlies van de individualiteit. Microscopisch kleine, ééncellige wezentjes verliezen hun individualiteit zonder dood te gaan: ze planten zich voort door deling. Bij een levend organisme betekent de dood een volkomen desintegratie en verlies der individualiteit, intredend op het ogenblik dat de levensfuncties onomkeerbaar zijn opgehouden. Bichat heeft het leven aangeduid als het geheel der functies, die zich verzetten tegen de dood. De dood dreigt steeds. Er is als het ware een strijd tussen leven en dood. De overgang van leven haar dood noemt men sterven. Het sterven geschiedt soms plotseling, doch gaat ook vaak gepaard met een doodstrijd (agonie). Na de dood wordt het menselijk lichaam een lijk. Het vaststellen van de dood kan soms moeilijk zijn. Men zoekt naar afwezigheid van levensuitingen (opgehouden van hartslag en ademhaling) en kenmerken van de dood (koude, stijfheid, lijkvlekken, rotting). Soms zijn de levensuitingen zo minimaal, dat ze niet te herkennen zijn, terwijl het leven toch niet uit het lichaam is: dit heet schijndood. Wanneer het hart stilstaat en de bloedsomloop dus ophoudt, is het individu in het algemeen dood. Bij plotselinge dood behoeft dan niet altijd de integrale levensfunctie onomkeerbaar te zijn opgehouden. Er kan dan als het ware nog herleving mogelijk zijn. Dit is gebleken hij plotselinge doodgevallen tijdens operatie of in een ziekenhuis, waarbij door zgn. hartmassage het hart met de hand samengeknepen en leeggedrukt wordt (reannimatie). Soms komt na een aantal minuten de hartwerkzaamheid weer op gang. Iedereen kan de dood constateren maar in onze maatschappij moet een arts een overlijdensakte afgeven. De doodsoorzaken worden door de medische statistiek geanalyseerd. In de biologie en geneeskunde spreekt men ook van plaatselijke dood (neerose), wanneer een deel van het lichaam afgestorven is. De dood heeft niet alleen een biologisch en medisch aspect, maar nog vele andere. De Bijbel leert ons, dat de dood wel het einde van het menselijk leven is, maar niet het einde van de mens. Volgens de Bijbel is de ‘natuurlijke’ dood eigenlijk onnatuurlijk.

Prof. Dr G. A. Lindeboom

 

II. Bijbels

Verschillende wijsgeren in vroeger en later tijd, met name de vertegenwoordigers van het consequente materialisme hebben geleerd, dat de dood een volkomen natuurlijk gebeuren is, dat zich met strakke en onveranderlijke wetmatigheid voltrekt aan alles wat op aarde leeft. Zij beschreven hem dan in de regel als het normale levenseinde, als de volledige en definitieve opheffing van het het bestaan. Deze opvatting vindt in zoverre steun bij vele beoefenaars der natuurwetenschap, dat ook zij hem zien als een verschijnsel, dat uit natuurlijke oorzaken moet worden verklaard, al willen zij in de regel wel erkennen, dat zijer nog niet in geslaagd zijn deze oorzaken te ontdekken. Tegenover deze theorie staat echter de diepgewortelde overtuiging, die in alle religies, vooral ook in die van de primitieve volken. Voor deze is de dood een vreemde vernielende macht, die als een vijand op een vreselijk moment in de schepping is doorgedrongen en haar zijn wrede juk oplegt. Zij hebben een afschuw van hem en vrezen hem meer dan iets anders ter wereld. Zij trachten hem zo lang mogelijk te ontlopen, en wanneer dit niet mogelijk blijkt, onderwerpen, zij zich aan hem in machteloze gelatenheid als aan het somberste lot, dat de mens kan treffen. En aan deze voorstellingen is onafscheidelijk het geloof verbonden, dat de mens door de dood niet maar wordt vernietigd en weggevaagd, maar op de een of andere wijze voortbestaat, nadat hij gestorven is. Wanneer wij ons hier nu verder beperken tot de leer van de christelijke kerk over de dood, kunnen wij voorop stellen, dat de christelijke kerk van ouds af elke opvatting, die de dood als een natuurlijk levenseinde beschouwt, verworpen heeft, en dat zij ook van het begin aan geleerd heeft, dat de mens na de dood blijft voortbestaan, hetzij in gelukzalige of in rampzalige toestand. De verschijning van de dood kan niet uit natuurlijke oorzaken worden verklaard, maar uit een catastrofaal gebeuren, dat in liet begin van de geschiedenis der mensheid heeft plaatsgegrepen, en dat door hen met grote duidelijkheid wordt aangewezen. De dood, zo zegt ons de Bijbel, is het gevolg van de val en ongehoorzaamheid van de eerste twee mensen in wie allen hebben gezondigd en met wie allen onder de boze ge volgen van de zonde moeten lijden. Door de zonde is de dood in de wereld gekomen. De dood is de ‘baas’ in de wereld, zolang de zonde er heerst en zijn kracht kan hem alleen worden ontnomen, wanneer de zonde wordt weggenomen. De boodschap van het Evangelie is dan revolutionair: de dood is in principe overwonnen door Jezus Christus, Gods Zoon (Jesaja 25 8; 1 Korinthe 15 54). Allen, die door het geloof bij Jezus Christus horen en door zijn bloed recht voor God staan en voor altijd zullen leven (Joh. 11: 25, 26).

 

III. Onder de lichamelijke of tijdelijke dood wordt verstaan, wat men in het gewone spraak gebruik ‘sterven’ noemt, de dood in fysieke zin. Je kunt ook zeggen: de verbreking van de band, die tijdens het aardse leven ziel en lichaam verbindt. De dood is ‘lichamelijk’ omdat hij het lichaam zichtbaar tot ontbinding doet overgaan naar het goddelijke oor deel: ‘u bent stof en zult weer stof worden’. Deze dood heet ‘tijdelijk’ omdat zijn macht over het ontbonden en tot stof weergekeerde lichaam slechts een bepaalde tijd zal duren, want eens komt het moment, waarop allen, die in de graven zijn de stem van Christus zullen horen en lichamelijk zullen verrijzen (Johannes 5 28). Van deze lichamelijke of tijdelijke dood zegt de Bijbel dat ze zowel gelovigen in God als ongelovigen overkomt (Psalm 89: 49), maar hij heeft niet voor allen dezelfde gevolgen. Voor de ongelovige houdt deze het einde in van elke mogelijkheid om nog met God te worden verzoend en te delen in het eeuwige leven. Voor de gelovige maakt hij deel uit van ‘wat hij of zij moet meemaken’, maar het is ook het definitieve einde van de moeiten hier op aarde en de entree in het vaderhuis van God (de hemel).

 

IV De geestelijke dood is de verbreking van het contact tussen de tot zondaar geworden mens en God, zijn Schepper. Deze mens van na de zondeval in het Paradijs kent God niet meer. God heeft geduld met hem, Hij geeft hem eten en mogelijkheden, maar hij staat niet meer in contact met God. In plaats van dat hij God zijn Maker liefheeft en dient, wendt hij zich van God af.

 

V De eeuwige dood komt over een mens als hij zich tijdens zijn aardse leven niet tot God bekeert en hij sterft. Deze dood is definitief en onherroepelijk. Dit is de dood, die geen einde zal hebben en waarvan geen verlossing mogelijk zal zijn. De dood ook, die in zijn verwoestende en verdervende werking door niets meer wordt tegengehouden, die zonder onderbreken zich openbaren zal in al zijn vreselijke kracht. Hij betekent voor de ongelukkigen totale disharmonie van alle levensfuncties, volledige verbreking van alle relaties en absolute vervreemding van God. De volle vloek van de zonde, die op aarde nog tegengehouden werd door Gods algemene genade, zal daar onafgebroken zijn. Voortdurend zullen zij staan onder Gods vloek over de zonde, in het helse vuur dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. (vergelijk Jesaja 66:24; Daniël 12:2; Matteüs 22 :13; 25: 46, 2 Tessalonicenzen 1:9; Openbaring 14:11; 20: 15; 21:8. Met even grote zekerheid echter getuigt de Bijbel ook, dat de eeuwige dood geen macht zal hebben over de gelovigen van Christus. Door zijn bloed gereinigd van de zonde zullen zij worden vrijgesproken om voor altijd met Hem te leven in zaligheid en heerlijkheid (Matteüs 25 : 46, Johannes 5: 24-29; 8: 51; 14: 1-3; Romeinen 6: 22, 23; 8: 1, 14-17, 29, 30; Filippenzen3: 20, 21; Kolossenzen 3: 4; 1 Tessalonicenzen 4: 15-17; 1 Petrus 5: 10; Openbaring 21: 1-7.

Dr. D.J. de Groot