Begeerte
Waar komt de begeerte naar meer, naar anders vandaan?
- En is deze drang goed of fout? Een christen, Ludwig, gaat op deze vragen in door hierover een brief te schrijven naar aanleiding van een gesprek hierover.
Na ons gesprek zijn er heel wat dingen blijven hangen waarover we nog eens met elkaar in gesprek willen komen. Waar we misschien wel iets mee willen doen. Om ons terug te leiden tot de kern, de bron van alle vragen: Heb ik de Here lief?
Levensstijl
Een van de eerste aspecten waarover we in gesprek kwamen was de levensstijl van veel mensen. De hang naar meer en naar luxe en veelal overdadige dingen. Niet noodzakelijk, maar wel willen hebben. Het uit zich bij verschillenden in een obsessief gedrag om het nieuwste, mooiste, meeste of duurste te willen bezitten. Jij hebt de vraag op tafel gelegd; Waar komt deze hang naar meer, de ongebreidelde behoefte aan meer, vaak ten koste van anderen, toch vandaan? De motor van dit als een kanker werkend proces is wel duidelijk geworden die avond. Het geheel wordt aangedreven door de begeerte. Maar de vraag blijft staan. Waar komt dan de begeerte vandaan? Waardoor wordt ze opgewekt? Bij de een de begeerte naar de nieuwste en meest geavanceerde hard- en software, bij de ander naar een nog groter huis of duurdere auto, bij een derde naar een baan met nog meer aanzien en macht, bij weer en ander naar seksuele drift en vul zo maar verder in. Onze economie is er op gebaseerd. En hoe komt het dat deze begeerte zich zo gedraagt? In het gesprek moest ik denken aan twee bijbelgedeeltes. De ene met betrekking tot het steeds groter worden van het kwaad. Ik dacht daarbij aan Openbaring 22 vers10 en 11. Het andere bijbelgedeelte had betrekking op het zondige proces waarin de begeerte een rol speelt. Ik kon het niet zo gauw opdiepen die avond, maar heb het nagezocht. Ik doelde daarbij op Jakobus 1 vers14 en15. De rol van de begeerte in de verzoeking.
Negatief of positief
Wat me opviel is dat begeerte hier een negatieve rol vervult. Als je in de concordantie (index op de bijbel per woord) de teksten in de Statenvertaling op het trefwoord begeerte naslaat komt het juist vaak in positieve zin voor. In de trant van begeerte om in Gods huis te vertoeven. Het is maar waar je begeerte naar uitgaat. In het tekstdeel valt op dat de begeerte twee eigenschappen wordt toegedicht, een zuigende en verlokkende werking. Het eind van het liedje is dat het product de zonde is en de zonde de dood voortbrengt. Het gevaar van de negatieve begeerte zit dus blijkbaar in de verlokkende en zuigende werking. Je moet kennelijk nogal stevig in je schoenen staan om er weerstand aan te kunnen bieden. Bovendien komt het uit ons zelf voort. Het is onze eigen begeerte. Verlokt en gezogen worden door je eigen begeerlijke gevoel. In een samenleving waarin de authenticiteit van je eigen gevoel heel hoog geacht wordt en tot norm verheven, is het weerstand bieden aan een negatieve begeerte een haast onmogelijke opgave. Maar dan, nog steeds geen antwoord op de vraag hoe dit alles ontspringt, waar komt het vandaan, hoe wordt het proces in gang gezet? Hoe komt het dat bij de een de begeerte toeslaat, haar verlokkende en zuigende werking tot zonde drijft, terwijl een ander, onder dezelfde omstandigheden, bestand is tegen de verleiding? Waarom valt de een voor het meer en heeft de ander tevredenheid met het genoeg? Wat wekt de begeerte, wie start de motor van verlokking en zuiging?
De Leugen
Bij het bladeren in de concordantie kom je meerdere plaatsen tegen in de bijbel waar verleiding en begeerte een rol spelen. Je zou bijna kunnen zeggen dat de bijbel er mee start. Gelukkig net niet. Maar op de eerste bladzijden van de bijbel komt de begeerte al ter sprake. In het verhaal van de zondeval in Genesis 3 ziet de vrouw dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden. In vers 6 staat een opklimmende trap over de boom der kennis van goed en kwaad; de boom is goed, is een lust voor het oog, is begeerlijk. De begeerte wordt kennelijk in een glijdende schaal opgebouwd, vaak in een zeer hoog tempo. Wanneer ik het verhaal rustig doorlees lijkt het mij toe dat het proces tot begeerte in gang wordt gezet door de leugen. De eerste leugen in Genesis 3 is een brutale aanval. De Here God wordt zonder pardon zwart gemaakt: De Here zou hebben gezegd dat je van geen enkele boom mag eten! Zeer direct wordt Eva met de leugen geconfronteerd. In dit eerst geval brengt de leugen haar nog niets. Dat komt omdat Eva de aanval met leugen afweert met de waarheid. De tweede aanval zit geniepiger in elkaar. Nogmaals wordt de Here God brutaalweg als leugenaar afgeschilderd, maar tevens wordt Eva iets voorgespiegeld. Eten van de boom brengt niet de dood, maar goddelijkheid in het kennen van goed en kwaad. De voorstelling is bedrieglijk echt. De boom heet immers de boom der kennis van goed en van kwaad. De val is gezet en Eva trapt er in. Ze hecht waarde aan de leugen van de slang. Eerst twijfelachtig. Zou het waar zijn, zou je niet sterven maar goddelijke kennis verkrijgen? Het is inderdaad waar dat de boom zo heet. Ze gaat het blijkbaar zelf onderzoeken. Vers 6 zet in met: 'En de vrouw zag...'. Eva kijkt nog eens naar de boom. Zou het waar zijn? Er is niets mis met de boom, niets bijzonders aan te zien, de boom is goed. Er wijst niets op dat je dood gaat. Integendeel, als je goed kijkt is de boom een lust voor het oog, misschien wel beter dan al dat andere geboomte waar ze wel van mocht eten. De leugen wordt geloofd. En de begeerte om te eten van de boom is gewekt, de boom is begeerlijk om daardoor verstandig te worden. Er wordt een schijnwaarheid voorgesteld. Maar in plaats van dat ze hier een waarheid gelooft, stap Eva in een pertinente leugen. Hoe komt het zover? Want, eerlijk is eerlijk, de beschuldiging die Eva, in haar verdediging later in Genesis 3, uit, is correct. De slang heeft haar verleid. Maar het vervolg van haar verdediging klopt niet helemaal. Tussen de verleiding en het en toen heb ik gegeten zit nog iets anders. Ze heeft eerst gekeken.
Kijken en nog eens kijken
In plaats van vast te houden aan de ontwijfelbare betrouwbaarheid van Gods waarheid, wie eet die sterft, toetst zij wat waar is aan haar eigen waarnemingsvermogen. Naast Gods waarheid wordt een tweede mogelijke waarheid gezet. De keus wordt gemaakt op de toets van haar waarnemingsvermogen. De authenticiteit van haar gevoel wordt norm voor het bepalen van de waarheid. Ze zag dat de boom goed was, een lust was, begeerlijk was. Haar eigen norm leidt haar tot het geloven van de leugen. Het beoordelingsvermogen is bezoedeld door de leugen. In de beoordeling wordt alleen rekening gehouden met wat voor ogen is, wat aards is, wat de zinnen prikkelt, wat ons vlees streelt. De waarheid van de hemelse heerschappij, de goddelijke soevereiniteit (oppermacht) die aangeeft wat goed en niet goed is, wordt niet in rekening gebracht. Die wordt door de leugen zelfs in diskrediet gebracht. Dit zelfde proces speelt zich bij alle vormen van begeerte af. Wie iemand vraagt naar het waarom van zijn (begeerlijke) gedrag, krijgt altijd een motivatie te horen, die het gedrag moet rechtvaardigen, waarin een schijnwaarheid schuilt. Tevens wordt ter verdediging aangevoerd dat ik autonoom ben om zelf uit te maken wat goed is en wat niet. De leugen wordt geloofd en ik ben mijn eigen norm. En het is niet toevallig dat deze norm nooit strijdig is met wat ik begeer. Hoe verstrikkend deze leugens zijn blijkt uit het feit dat het autonome beschikkingsrecht over wat wel te doen of niet, wat wel goed te vinden en wat niet, als het hoogste goed van vrijheid wordt beschouwd. In een ander bijbelgedeelte (2 Petrus 2), waarin ook sprake is van verleiding, begeerte, verlokking en hebzucht wordt dit met nadruk naar voren gebracht. Vers 12 zet daarin al de toon, wanneer Petrus schrijft over de dwaalleraars, dat zij zijn voortgebracht om gevangen en verdelgd te worden. In de voorgaande verzen is duidelijk dat de verdelging van God komt op de dag des oordeels (vers 9). Maar waardoor worden zij gevangen? Dat komt in vers 19 aan het licht. Petrus gebruikt hier een tegenstelling tussen wat zij verkondigen, de vrijheid en hun eigen staat, slavernij. Hun hart gaat uit naar de vleselijke lusten. De hemelse heerschappij wordt veracht. Bij hen is de begeerte naar de vleselijke lusten gewekt door het geloven van de leugen dat dit het ultieme genot, het hoogste goed is wat bereikt kan worden. De hun knellende band van Gods wet en evangelie, de hemelse heerschappij wordt daarbij afgelegd. Zij denken autonoom te kunnen beslissen over wat goed en kwaad is en worden daarbij slaaf van hun eigen leugen. Ze zijn overmeesterd door Satan, de vader der leugen, de kapotmaker of verderver. Wie verstrikt zit in de begeerte met haar verlokkende en zuigende werking raakt er als het ware aan verslaafd. Begeerte is verslavend.
Normloosheid
In hetzelfde gedeelte komt nog een ander aspect van de begeerte naar voren, namelijk de losbandigheid en ongebondenheid. Begeerte laat zich niet beteugelen door normen, regels en wetten of een heerschappij. Zij is haar eigen norm en wet en voert zelf een verslavende heerschappij. Met allerlei smoesjes wordt wat krom is recht gepraat. Bij overspel komt dit wel heel duidelijk aan het licht. Gods wet en ook de regels van het burgerlijk huwelijk sluiten overspel uit. Wanneer echter de begeerte naar de ander de overhand krijgt en de zonde van het overspel baart wordt als norm en excuus gebruikt de echtheid van het gevoel. Dit is de ware liefde, ik houdt echt van die ander. Ik ben verliefd geworden, het is me overkomen, ik kon er niets aan doen. Begeerte gedijt het beste in een wereld van de wetteloosheid. Ook hierin zit een schijnwaarheid. Wie de wet ter zijde stelt en zich buiten de ware norm stelt, verbeeldt volledige vrijheid te hebben. Niet beteugeld door normen, regels en wetten, maar wel in slavendienst. Naar mijn mening betreedt, met de wetteloosheid, de begeerte niet alleen het terrein van het aardse bezit maar ook het terrein van het volkomen vrij willen zijn van de mens, zijn zoektocht naar het hoogste geluk en de hang naar de macht. In de begeerte wordt de leugen van de volstrekte autonomie voor de mens gepresenteerd, het als God kunnen zijn. Omdat we met de leugen te maken hebben is het resultaat de uiteindelijke ondergang van de mens.
Strijd
In de begeerte zien we daarom een deel van het strijdveld waar gestreden wordt om de heerschappij om de mens. Een strijd tussen God en de duivel, tussen goed en kwaad. Zelf staan we duidelijk niet buiten deze strijd. Het gaat niet om twee kampvechters die vechten om het bezit van de mens, waarbij de mens als buitenstaander van de strijd maar moet afwachten wat hem zal overkomen. Wij maken zelf deel uit van deze strijd. En daarin hebben wij een zwak punt, namelijk dat wij begerig zijn en gevoelig voor de leugen. Met het gebruik van de leugen bespeelt de vader van de leugen onze achilleshiel van de begeerte. Naar mijn mening gaat dat breder dan de begeerte naar aards bezit. In 2 Petrus 2 gaat het dan ook niet in de eerste plaats om de hunkering naar bezit, maar om de verleiding en de leugen van de dwaalleer. Daarbij kun je overigens wel stellen dat deze dwaalleer aards gericht is, hoewel altijd religieus en erg vaak spiritueel verpakt. Hoofdbestanddeel is altijd het groot worden van de mens. Ik eerst! (Het bekende ikke, ikke, ikke en de rest ......). Of dat nu uitkomt in de grofheid van losbandigheid of in het nieuwe tijdsdenken waarin een volkomen synthese tussen kosmos, goddelijkheid en mensheid wordt voorgesteld. In beide gevallen gaat het erom dat de mens aan zijn trekken komt en op een hoger plan wordt gesteld. In al zijn sluwheid zie je deze leugen ook binnen de kerk komen. Hoevelen geloven daar niet om het zalig worden, een soort deposito of verzekeringsgeloof. Er ligt voor hen nog wat in het verschiet en ze hebben een goede dekking tegen eeuwig verderf. Ook hier komt Ikke voorop. Ik ga lekker nooit verloren knoop dat in je oren van achter en van voren. De hemelse Vader is uit hun geloofsbeeld verdwenen, behalve als almachtige weldoener die hun de eeuwige gelukzaligheid kan verschaffen. Een andere rol is voor Hem niet weggelegd.
Slachtoffer?
Ik wil nog even terug naar ons aandeel in de strijd. Wij schijnen het slachtoffer te zijn van de leugen. Het raakt onze achilleshiel, waardoor we niet alleen sneuvelen voor ons eeuwig behoud, maar ook zelf meestrijden tot ons eeuwig verderf. 2 Petrus 2 vers 12 en 13 laat daar geen twijfel over bestaan. Wat nu, is er een foutje geslopen in de schepping van de mens? Zijn wij als een poreuze kruik, waardoor het zilte water binnendringt en de zoete inhoud bederft. Staan wij voor een voldongen feit, waarop wij ons voor onze onschuld kunnen beroepen? Dat gebruiken we wel zo. In Genesis 3 zegt Eva, de slang heeft mij verleid. Hij had haar immers wat voorgelogen, kon zij er wat aan doen? Maar Eva had zelf ook een aandeel in de zondeval. Ze is zelf op onderzoek uitgegaan, zij heeft zelf beoordeeld en getoetst. De grote fout is geweest, dat Eva niet heeft getoetst aan Gods betrouwbare waarheid, maar naar eigen inzicht. Wat heeft het gebracht? Zijn we als God geworden, kennende goed en kwaad. Ja, zegt de Here God zelf (Genesis 3 vers 22). Dus toch geen leugen maar de waarheid? We hebben inderdaad het kwaad ontdekt en wel aan ons zelf, het goede kenden we al. Adam en Eva bemerkten dat zij naakt waren. In die zin zijn Adam en Eva de schelen van de ogen gevallen. Naast de liefdevolle bedekking van Gods goedheid is er ook de rauwe naaktheid van het kwaad. Van vrije aan God gebonden mensen zijn we deel geworden van de strijd tussen goed en kwaad. Het is voor Satan onmogelijk de Here God zelf te bestrijden. Er is geen mogelijkheid en macht bij Satan onze God naar of zelfs van de troon te stoten. Gods almacht is dermate groot dat een dergelijke poging voor Satan een kamikazeactie zou betekenen. Voor Satan blijft slechts een weg over, kan ik het niet krijgen dan jij ook niet. Naar dat devies is hij de grote kapotmaker, de diabolos. Door de aanval te openen op de kroon op Gods schepping probeert hij indirect zijn doel te bereiken. Wij zijn inderdaad gevallen en onder de heerschappij van Satan terechtgekomen. De zaak is verloren. Wij zijn niet instaat ons zelf uit deze strik te bevrijden. Wij zijn niet enkel onder invloed van het kwaad, maar zelf ook tot kwaad geworden. Onze startpositie is nu verworden tot slaaf van de leugen en medestrijder van de leugen. Het is daarin typerend dat na de ontdekking van Adam en Eva dat ze naakt waren, de ontdekking van goed en kwaad, wij mensen nog steeds geloven in de leugen dat het om ons de mens draait. Blijkbaar hebben we kennis gekregen aan goed en kwaad, in plaats van alleen het goed in de Here God, maar heeft het ons beoordelingsvermogen geen goed gedaan. In tegendeel zelfs.
Wie zal de begeerte weerstaan?
Op onze de beginvraag; Waar komt de begeerte vandaan? Volgt nog een tweede misschien wel een meer dringende vraag. Wie zal de begeerte weerstaan? Of de daar achter liggende vraag: Wie zal de leugen weerstaan? Welk wapen is ons tegen Satan overgebleven, wie heeft wijsheid en verstand als ontmaskering van en tegengif tegen de leugen? Als het niet in ons is, dan buiten ons. Het Evangelie komt immers juist van de andere kant. We zullen het buiten onszelf zoeken! Ons tot kwaad geneigde hart wordt in de wedergeboorte getransformeerd tot een hart dat weer heeft leren hunkeren naar de liefde van de hemelse Vader. Een hart dat in plaats van geloof in de leugen geloof hecht aan de waarheid van het evangelie en deze waarheid lief heeft. We hebben daarmee weer een wapen gekregen. Een wapen in het geloof. Petrus houd ons in het begin en aan het eind van zijn brief het geheim van dit wapen voor, de kennis van Hem die ons geroepen heeft. De toets of iets goed of kwaad is, is dus eerst dan succesvol wanneer wij toetsen vanuit de kennis van Hem die ons geroepen heeft. Slechts wie de hemelse Vader kent is in staat in het geloof goed te toetsen. Petrus roept daarom dan ook op om in alle ijver door dit geloof de deugd (het goed) te schragen, door de deugd de kennis, door de kennis de zelfbeheersing en door de zelfbeheersing de volharding en zo verder.
Beste broeder, misschien zeg je zelf geen last te hebben van de begeerte naar een groter huis of een duurdere auto. Toch weet ik wel dat ook jij een mens bent, voortgekomen uit Adam en Eva. Een mens met een achilleshiel in de verlokkende en zuigende werking van de begeerte. Ik kan en mag niet anders concluderen dat ook bij jou de begeerte in welke vorm of naar wat dan ook een plaats heeft in je leven. Ook jij bent van nature een mens die valt onder het verderf. Gelukkig hij die door Gods genade ontkomen is aan dit verderf en kennis heeft gekregen aan zijn Verlosser. Gelukkig hij die daardoor weerstand heeft gekregen tegen de heerschappij van de begeerte. Laten wij elkaar steeds weer in herinnering brengen hoe weerstand te kunnen bieden tegen de schijnwerkelijkheid van de leugen en tegen de verlokkende en zuigende werking van de begeerte. Laten wij elkaar steeds weer herinneren aan de slotoproep van Petrus in zijn tweede brief; Wast op in de genade en kennis van onze Here en Heiland, Jezus Christus.
Ludwig
Reactie op dit artikel:
Als ik het goed begrijp, is de hoofdstelling van deze tekst dat begeerte ontstaat door de schijnwaarheid/leugen dat de mens keuzevrijheid heeft, wat leidt tot verderf van de mens. Volgens dit artikel moet de mens niet zelf beoordelen en keuzes maken, maar daarin blindelings God volgen. Maar hoe zit het dan met de vrije wil van de mens? En hoezo is de keuzevrijheid van de mens een schijnwaarheid, of leugen? Ik vind dit wel een heel drastische stelling. Ik krijg het gevoel, bij het lezen van de tekst, dat de mens z’n verstand moet uitschakelen en helemaal niet op z’n eigen oordeel af mag gaan, maar uitsluitend moet doen wat God zegt en omdat Hij het zegt. Hoewel het vrijwel altijd in een negatieve zin wordt gebruikt dat Eva at van de boom der kennis van goed en kwaad, zit er toch ook iets positiefs voor de mens in. Hierdoor kwam er namelijk keuzevrijheid en onderscheid tussen goed en kwaad. Wij mensen hebben zelf de mogelijkheid om keuzes te maken, om dingen te doen en te laten, wat soms een gift, maar soms ook heel moeilijk kan zijn. Nu zegt dit artikel dat niet de mens moet aanschouwen en beoordelen, maar God (Eva had niet zelf moeten bekijken en beschouwen, maar vertrouwen op het woord van God). Zoals al eerder gezegd, vind ik dit trouwens erg zwak onderbouwd in het artikel, maar daarnaast kan ik het ook niet onderschrijven. Ik ben blij en dankbaar dat ik de mogelijkheid heb om dingen te onderzoeken, om verschillende godsdiensten met elkaar te vergelijken, verschillende gezichtspunten te horen, te discussiëren en keuzes te maken, hoewel dat ook ontzettend moeilijk kan zijn. Verder zie ik nog een tegenstrijdigheid in hetgeen in de Bijbel geschreven staat; God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, gesteld tegenover een andere uitspraak dat de mens niks goeds kan doen uit zichzelf, maar God bewerkstelligt al het goede, en de mens moet in volledige afhankelijkheid en navolging van God leven. Als God de mens heeft geschapen met de mogelijkheid tot eigen, individuele en persoonlijke keuzevrijheid, waarvan Hij wist dat die er zou komen, zou je denken dat dit niet iets negatiefs is, aangezien God de mens naar Zijn evenbeeld heeft geschapen. Blijkbaar wilde Hij dat het zo zou gaan als het gegaan is, en dat de mens inderdaad zelf keuzes maakt en er een onderscheid tussen goed en kwaad is gekomen.
Margot de Greef
