Dominee Online > Woordenboek > Antichrist

Antichrist

A. Inleiding

B. Het boek Daniël 1. Inleiding 2. De heilsgeschiedenis in Daniël 9:24-27

C. Tussen OT en NT

D. Jezus over de antichrist 1. De rede over de laatste dingen 2. Een eindtijd in twee fasen

E. De mens der wetteloosheid

F. De eindtijd in Openbaring 1. De eindtijd en de 42 maanden 2. De tijd vóór de antichrist

G. De antichrist in Openbaring 1. Het beest een bekende figuur 2. Het beest en Israël 3. Het beest en het vierde dier uit Daniël 7 4. Het beest als anti-Christus 5. De valse profeet 6. Het getal 666 7. Beest en Babylon 8. Het beest dat was en niet is en zal komen 9. De val van Babylon en de strijd bij Harmagedon

 

A. Inleiding

De term ‘antichrist’ vinden we in het Nieuwe Testament alleen in de brieven van Johannes. Van hen die belijden dat Jezus de Messias is, wordt gezegd dat zij uit God geboren zijn (1Joh.4:2; 5:1). Zij die dit ontkennen zijn niet uit God, maar worden bepaald door de geest van de komende antichrist (1Joh.4:3; 2:22-23; 2Joh.7). De eerste brief van Johannes geeft aan dat de gemeente zich bewust was dat er een antichrist zou komen (1Joh.2:18; 4:3). De brieven van Johannes maken deze verwachting actueel door te zeggen dat de geest van de antichrist nu al werkt in de valse profeten, die bestrijden dat Jezus de Messias is (1Joh.2:22-23) en zo de gelovigen van het ware geloof wegtrekken. De aanwezigheid van de geest van de antichrist geeft aan dat de eindtijd aangebroken is (1Joh.2:18). Het boek Openbaring beschrijft deze eindtijd en het ligt daarom in de lijn van de verwachting dat we de antichrist hier ook weer tegenkomen, hoewel hij nu ‘het beest’ wordt genoemd. Bij de bestudering van Openbaring kunnen we niet om het Oude Testament heen. Honderden toespelingen erop en herinneringen eraan worden in dit boek gevonden (zie de excurs ‘Openbaring en het Oude Testament’). Ook voor wat betreft de beschrijving van het beest (met name hfst. 13 en 17) is er een duidelijke relatie met het Oude Testament, en wel met het boek Daniël. Bovendien wordt dit ‘beest’ zonder enige nadere uitleg in Openbaring 11 geïntroduceerd, waaruit blijkt dat het voor de lezers van Openbaring een bekend gegeven zal zijn geweest. Voordat we de teksten in Openbaring bekijken, zullen we eerst nagaan wat er voordat Johannes zijn visioenen ontving al bekend was over dit ‘beest’. We vinden passages in het boek Daniël, in de joodse literatuur tussen het Oude en Nieuwe Testament, in de woorden van Jezus en in de brieven van Paulus. Hoewel het natuurlijk naar de letter niet mogelijk is om vóór Christus al over een ‘anti-christ’ te spreken, willen we voor de duidelijkheid en het gemak deze term toch maar regelmatig gebruiken. Naast een typering van deze ‘antichrist’ zijn er met name twee vragen waarop we een antwoord zoeken: werd de ‘antichrist’ gezien als een individu of als een rijk en verwachtte men dat hij/het zou optreden in de eindtijd?

 

B. Het boek Daniël

1. Inleiding

In het boek Daniël komt het individuele karakter van de antigoddelijke macht sterk naar voren. Het is een vorst die zich zal keren tegen de Allerhoogste en de heiligen zal vervolgen en doden (7:25; 8:24). Hij zal een ‘gruwel die verwoesting brengt’ oprichten op de heilige plaats (8:13; 9:27; 11:31; 12:11). Hij verheerlijkt zichzelf boven elke god (11:36) maar wordt na een ‘tijd, tijden en een halve tijd’ gedood (7:25v; 11:45). In Daniël wordt echter ook over de ‘antichrist’ gesproken als een collectief, een rijk dat zich tegen de heiligen en hun God keert. Het is het vierde dier dat beschreven wordt in Dan.7:7-8,19vv. In het latere jodendom was de algemene opvatting dat dit vierde dier het Romeinse Rijk voorstelde (4Ezra 5:3-4; 11:40vv.; 2Bar.36-40). Deze vorst en zijn rijk zullen echter vernietigd worden door de Vorst der vorsten en wel zonder dat er mensenhanden aan te pas komen (Dan.7:26; 8:25). Hierna zal het koningschap over de wereld gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste (7:27). Het vierde dier in het visioen van Daniël betreft dus het rijk van de anti-goddelijke vorst van de eindtijd. Samenvattend kunnen we zeggen dat de ‘antichrist’ volgens de beschrijving in Daniël zal optreden in de eindtijd (hfst. 8 en 11), zich zal indringen in de joodse godsdienst (hfst. 7,8 en 11), het uitverkoren volk zal vervolgen (hfst. 7,8 en 11), maar tenslotte door God vernietigd zal worden (hfst. 2,7,8, en 11). Vaak wordt de vervulling van deze profetieën geplaatst in de eerste helft van de tweede eeuw voor Christus, de tijd van Antiochus IV Epifanes en zijn rijk. Deze visie lijkt ons echter eerder toepassing dan tekstuitleg. Bovendien heeft de geschiedenis bewezen dat Antiochus IV niet de antichrist van de eindtijd was, maar een voorafschaduwing daarvan. Wel kan gesteld worden dat het optreden van Antiochus IV een onuitwisbaar spoor heeft nagelaten in de geschiedenis van het joodse volk.

 

2. De heilsgeschiedenis in Daniël 9:24-27

Omdat de typering van de tijd van de eindtijdkoning in Daniël in het boek Openbaring terugkeert, moeten we daar ook aandacht aan geven. In Dan.7:25 en 12:7 wordt gesproken over ‘tijd, tijden en een halve tijd’ (vgl. bv. Openb.12:14; 13:5). Om deze terminologie te begrijpen gaan we naar Dan.9:24-27: ‘Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven. Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden. En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal (...) hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.’ In deze verzen wordt door Daniël gezegd dat de heilsgeschiedenis van Israël in zeventig ‘zeventallen’ of ‘jaarweken’ voleindigd zal worden. In zeventig ‘zevental-perioden’ zal God het volk en de stad zuiveren van alle kwaad en zal Hij ‘iets allerheiligst zalven’. Het laatste wil zeggen dat God als doel heeft dat Hij in het midden van het volk zal wonen (vgl. bv. Ex.25:8). Het doel van de geschiedenis is dus de majestueuze aanwezigheid van God te midden van Zijn volk. Daniël spreekt over een indeling in perioden van 7, 62 en 1 zeventallen. De middelste periode, van 62 ‘zevens’, is niet gebaseerd op een of andere tijdhistorische berekening, maar is ontstaan door een rekensom: 70 - (7+1) = 62. Het gaat in de profetie om de eerste en de laatste periode. We zullen in verband met de verschillende vertalingen de terminologie afwisselen, maar bij ‘zevens’, ‘zeventallen’, ‘weken’ en ‘jaarweken’ gaat het over dezelfde perioden. De laatste periode is voor onze studie over de antichrist van belang. In vers 26 lezen we namelijk dat na 62 ‘jaarweken’, dus aan het begin van de laatste ‘jaarweek’, een gezalfde wordt uitgeroeid terwijl er niets tegen hem is. Hierna komt een vorst die op de helft van de week (drie en een halve periode = tijd, tijden en een halve tijd) een gruwel van verwoesting brengt. Het is duidelijk dat deze vorst de ‘antichrist’ is (vgl. 8:13; 11:31; 12:11). Het is van belang op te merken dat volgens deze profetie van Daniël met de dood van de gezalfde de laatste periode (één ‘jaarweek’) van de geschiedenis, de eindtijd, aanbreekt. Deze wordt gekenmerkt door Gods oordeel. Deze periode begint met de gewelddadige dood van een gezalfde, die (in het midden van de week) gevolgd wordt door het optreden van de antigoddelijke vorst. De loutering van het volk komt in deze laatste tijd tot een climax. Daniël zegt dus dat de eindtijd aanvangt met de dood van de gezalfde, maar dat de grote manifestatie van de antigoddelijke eindtijdkoning pas op de helft van de laatste periode zal plaatsvinden (waarna hij een ‘tijd, tijden en een halve tijd’ zal optreden). We kunnen deze bespreking van de profetie over de zeventig perioden besluiten met de conclusie dat de ‘vorst die komen zal’ de ‘antichrist’ van de eindtijd is. We hopen straks vanuit het Nieuwe Testament iets te zeggen over de tweede gezalfde die ‘wordt uitgeroeid terwijl er niets tegen hem is’. Maar nu eerst de tijd tussen de testamenten.

 

C. Tussen OT en NT

In de periode tussen het boek Daniël en het Nieuwe Testament keert het thema van de eschatologische ‘antichrist’ in drie boeken expliciet terug. De eerste keer is dit in de Dode-Zeerollen (Qumran) in het eerste kwart van de eerste eeuw voor Christus in de Testimonia (4Q175 21-30). Dit geschrift wordt zo genoemd omdat het een serie bewijsteksten bevat over een bepaald onderwerp, in dit geval met betrekking tot het thema ‘messias’. In die Messiaanse context wordt ook melding gemaakt van een anti-messias, iemand die onder invloed staat van Belial (= satan) en zowel militair als religieus actief zal zijn. Een halve eeuw later lezen we in ‘de verhandeling van Sem’, een joods geschrift uit Egypte (plm. 25 v.Chr.) dat er op het einde van de volgende ‘wereldmaand’ een politieke figuur zal optreden die de Romeinen zal uitschakelen. Het zal een tiran zijn die werkt met iets als een inlichtingendienst en met militair geweld. Hij is onoverwinnelijk en ontzag voor God heeft hij niet. Na hem zal het vrederijk komen. Tot derde wordt er over de ‘antichrist’ gesproken in het ‘Testament van Mozes’ (hfst.8; rond het begin van onze jaartelling). Het gaat over een eschatologische koning die in de lijn van de eindtijdkoning in Daniël zowel op politiek als op religieus gebied actief is. Het thema stond dus niet voortdurend in de belangstelling, maar keert wel met een zekere regelmaat terug.

 

D. Jezus over de antichrist

1. De rede over de laatste dingen

De antichrist wordt ook door Jezus genoemd in Zijn rede over de laatste dingen (Matt.24:15 = Marc.13:14). L. Hartman heeft aangetoond dat deze rede een midrasj (soort preek gebaseerd op één of meerdere oudtestamentische teksten) is, gebaseerd op Daniël 7, 8, 9 en 11. Deze midrasj heeft twee brandpunten: de komst van de ‘antichrist’ en de komst van de Zoon des mensen. We moeten daarom Jezus’ rede lezen tegen de achtergrond van het boek Daniël. D. Wenham heeft aangetoond dat Mattheüs de oorspronkelijke plaats van Jezus’ ‘klacht over Jeruzalem’ bewaard heeft (Matt.23:37-39) en dat deze uitspraak deel uitmaakte van ‘de rede over de laatste dingen’. Aangezien de context voor een groot deel de betekenis van een uitspraak bepaalt, is dit geen onbelangrijk gegeven. Voordat we daar verder op ingaan eerst de tekst van de klacht: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en u hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt verlaten aan u overgelaten. Want Ik zeg u, u zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat u zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!’ Jezus heeft de kinderen van Jeruzalem, dat wil zeggen de Israëlieten, willen verzamelen zoals een kloek haar broedsel onder haar vleugels. Het verzamelen doet denken aan de oudtestamentische verwachting daarvan in de eindtijd (vgl. Ps.102:23; 106:47; 147:2; Jes.52:12 LXX). De woorden hebben een eschatologische klank. Vervolgens spreekt Hij een oordeelsaankondiging uit: ‘Zie uw huis wordt verlaten aan u overgelaten’. Het ‘huis’ kan de tempel aanduiden, maar ook de stad (zie comm. Matt.23:38). Bovendien kan het Griekse woord voor ‘overlaten’ zowel betekenen het prijsgeven aan vijanden als het verlaten worden door God, maar naar joodse voorstelling zijn de verschillende betekenissen nauw aan elkaar verwant en gaan in elkaar over. Jezus zegt dus dat God de tempel en de stad opgeeft, dat daarmee het volk de goddelijke bescherming wordt ontnomen en dat Jeruzalem wordt prijsgegeven aan de vijanden. De tweede oordeelsaankondiging luidt: ‘u zult Mij niet meer zien’. Het vertrek van de spreker - dat wil zeggen de dood van Jezus - wordt in verband gebracht met Gods afwezigheid in de tempel, met de verwoesting van de stad en een heilloze tijd voor Israël. We zien hier dus niet alleen dat er sprake is van een tussentijd tussen de dood van Jezus en Zijn komst op de wolken, maar ook dat deze tijd wordt beschreven als een oordeelstijd. We concluderen dat deze uitspraak van Jezus uitgelegd moet worden tegen een achtergrond zoals we die in het OT het meest expliciet in het boek Daniël vinden. We hebben gezien dat de woorden een eschatologische spits hebben. Door de dood van Jezus zal het oordeel van God over volk en stad komen en breekt er een heilloze tijd aan voor Israël. Deze oordeelstijd zal echter wel een einde hebben: er is een ‘totdat’. Mede vanwege het onderzoek van Hartman kunnen we niet anders concluderen dan dat Jezus Zichzelf heeft vereenzelvigd met de gezalfde uit Dan.9:26 en Zijn dood en de directe gevolgen daarvan beschreven zag in Dan.9:26b-27. Jezus zag Zichzelf als de tweede gezalfde uit Dan.9:24-27, wiens dood de overgang vormt naar de zeventigste ‘jaarweek’, en als gevolg waarvan op de helft van deze week de ‘gruwel der verwoesting’, de pseudo-christus of ‘antichrist’ zich zou openbaren. 

 

2. Een eindtijd in twee fasen

Vanuit het OT gezien beginnen de laatste dagen, dat wil zeggen de eindtijd, met de komst van de Messias en de uitstorting van de Geest op alle vlees. Deze opvatting vinden we dan ook verschillende malen bij de apostelen in het Nieuwe Testament (Hand.2:17; 2Tim.3:1; Jac.5:3; 2Petr.3:3). De eindtijd is begonnen met de eerste komst van Jezus. Maar er is meer over te zeggen. In de ‘rede over de laatste dingen’ zegt Jezus: ‘Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur’ (Matt.24:33). Wat bedoelt Hij met ‘dit alles’ en met ‘dat wat nabij is’? In Matt.24:14-31 worden de ‘gruwel der verwoesting’, de ‘grote verdrukking’ en de ‘komst van de Zoon des mensen’ als drie hoofdmomenten van één gebeuren voorgesteld, dat in de verzen 6 en 14 ‘het einde’ wordt genoemd. Zoals in vers 3 in de vraag van de discipelen onderscheid gemaakt wordt tussen het ‘teken’ en de ‘voleinding’, zo ook in het antwoord van Jezus. ‘Dit alles’ wat gezien wordt is een teken van dat wat aanstaande is. ‘Dit alles’ spreekt dus over de voortekenen uit de verzen 4-14 en ‘dat wat nabij is’ gaat over ‘het einde’, waarvan de gebeurtenissen in de verzen 15-31 beschreven worden. Over de tekenen die op het einde wijzen spreekt Jezus dus in de verzen 4-14, het einde zelf begint in vers 15 met de manifestatie van de ‘antichrist’ in de tempel (de ‘gruwel der verwoesting’). Korte tijd na het optreden van de antichrist wordt de komst van de Zoon des mensen verwacht (24:29-31). De ‘laatste dagen’ bestrijken dus de hele periode tussen de eerste en de tweede komst van Jezus. Deze periode omvat de zeventigste ‘jaarweek’ uit Daniël en bestaat uit twee fasen, een eerste van voortekenen (Matt.24:4-14) en een tweede die begint met de manifestatie van de antichrist in de tempel (24:15). De tijd die Jezus beschrijft als het ‘einde’ dat er nog niet is (Matt.24:14), is de tijd die Daniël aangaf met de omschrijving ‘tijd, tijden en een halve tijd’ (7:25), ‘tweeduizend driehonderd avonden en morgens (8:14), of een halve jaarweek (9:27). Deze tweeledige eindtijd keert ook in het boek Openbaring terug. Voordat we daarop ingaan, richten we onze blik eerst op Paulus.

 

E. De mens der wetteloosheid

In 2 Thessalonicenzen 2 zegt de apostel Paulus het volgende: ‘... want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is. ... het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking … Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here Jezus doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt. Daarentegen is diens komst naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, en met allerlei verlokkende ongerechtigheid’. De ‘mens der wetteloosheid’, de ‘tegenstander die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet’, vertoont duidelijk de trekken van de eindtijdkoning uit Dan.11:36, in welke passage ook gesproken wordt over de ontheiliging van de tempel (11:31). Dit tekstgedeelte wordt ook in Matt.24:15 = Marc.13:14 aangehaald. We zullen de opmerking van Paulus dat de ‘wetteloze’ ‘zich in de tempel van God zal zetten, om aan zich te laten zien dat hij een god is’ dan ook in de zin van een ontheiliging van ‘de tempel’ moeten verstaan. Bovendien typeert Paulus de ‘wetteloze’ als iemand die komt ‘naar de werking van de satan en met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen’. Met andere woorden, hij ontvangt zijn macht van satan en is een valse profeet die wonderen en tekenen doet in de kracht van de duivel. Naast de aansluiting bij de profetieën van Daniël geeft ook de tekening van de ‘wetteloze’ als een anti-Christus duidelijk aan dat Paulus hier spreekt over de antichrist. Zijn komst wordt evenals die van Christus een ‘parousia’ genoemd. Zijn optreden wordt evenals dat van Christus gekenmerkt door wonderen en tekenen. Bij deze mens draait alles om het bewerken van verderf (‘zoon des verderfs’), terwijl de Zoon van God juist is gekomen om te behouden. Deze antichrist bij Paulus is dan ook niet zozeer een collectief, maar primair een individu, een persoon. Het is ook geen geest of zelfs de satan, maar een mens, in wie zich eens alle wetteloosheid en ongerechtigheid zal concentreren. Zoals Paulus elders Christus tegenover Adam stelt, zo hier de ‘wetteloze’ tegenover Christus. Toch is hij ook bij Paulus méér dan een persoon die aan het einde der tijden zal optreden. Paulus spreekt enerzijds over een persoon die nog niet is verschenen, maar die zich in de toekomst publiekelijk zal openbaren, en die gedood zal worden door de Here Jezus als Hij komt. Anderzijds stelt hij dat al in het heden het geheimenis van de wetteloosheid werkzaam is (vs.7). Er wordt dus onderscheiden tussen een verborgen (nu) en een openbaar optreden (straks) van de antichrist. Ook Paulus onderscheidt dus twee fasen in de eindtijd die begon met de eerste komst van Jezus.

 

F. De eindtijd in Openbaring

1. De eindtijd en de 42 maanden

Zoals we boven al stelden, begint de eindtijd vanuit het Oude Testament gezien met de komst van de Messias, dat wil zeggen met de eerste komst van Jezus. Maar zoals we in Daniël 9 en vervolgens ook bij Jezus zagen, is daarmee niet alles gezegd. De ‘laatste dagen’ blijken in het Nieuwe Testament samen te vallen met de tussentijd tussen de eerste en de tweede komst van Jezus. In Zijn ‘rede over de laatste dingen’ blijkt dat Jezus in de lijn van Daniël 9 deze tijd verdeelt in twee perioden, de tijd vóór en de tijd gedurende het optreden van de antichrist. De tijd van de ‘laatste dagen’ of wel de eindtijd kent dus minstens twee fasen. De tweede fase begint met de manifestatie van de antichrist. Hoe is dit in het boek Openbaring? Is hier ook sprake van een fasering van de eindtijd? In Openbaring wordt meerdere keren melding gemaakt van een bepaalde periode, die onder invloed van de terminologie in Daniël wordt omschreven met ‘tweeënveertig maanden’ (11:2; 13:5), ‘twaalfhonderd zestig dagen’ (11:3; 12:6) of ‘tijd, tijden en een halve tijd’ (12:14). Elk van deze omschrijvingen komt overeen met drie en een half jaar ofwel de halve ‘jaarweek’ uit Dan.9:27. De vraag is nu of voor Johannes deze periode samenvalt met de gehele tijd tussen Jezus’ eerste komst op aarde en Zijn wederkomst, of dat deze periode voor hem nog toekomst is. In Openb.11:2-3, waar het visioen van de tempel overgaat in een profetie van Johannes, lezen we: ‘en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeënveertig maanden lang. En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang’. Uit de gebruikte tijdvormen (futurum) blijkt dat dit op het moment van schrijven voor Johannes nog toekomst is. In Openb.13:5 gaat het over de tijd dat het beest macht heeft over elke stam en taal en natie (13:7). Dit is ten tijde van het herstel van het beest, de tijd dat het beest ‘zal zijn’. Het betreft de tijd van het herstelde beest (vgl. 17:11), een tijd die voor Johannes nog toekomst is. We kunnen hieruit concluderen dat voor Johannes deze periode van ‘tweeënveertig maanden’ nog toekomst is. Dit wordt ook bevestigd door Openb.3:10, waar gesproken wordt over ‘het uur van de verzoeking dat over de wereld zal komen’. Ook hier is duidelijk dat deze tijd voor Johannes op het moment van schrijven nog toekomst is. Het bepalend lidwoord geeft aan dat Johannes spreekt over de voor zijn hoorders bekende ure, de periode die elders de ‘grote verdrukking’ wordt genoemd (Dan.12:1; Matt.24:15-31; Openb.7:14). Uit het gegeven dat voor Johannes de ‘tweeënveertig maanden’ nog toekomst zijn, kunnen we opmaken dat ook voor hem ‘de laatste dagen’, die aangevangen zijn met de eerste komst van Christus, uit twee fasen bestaan: de tijd vóór en de tijd gedurende het optreden van de antichrist. De tweede fase wordt aangeduid als de ‘tweeënveertig maanden’.

 

2. De tijd vóór de antichrist

De vraag die vervolgens gesteld moet worden is waar we in het boek Openbaring de overgang vinden naar de tijd die omschreven wordt met ‘tweeënveertig maanden’ of ‘twaalfhonderd zestig dagen’. Dit is niet geheel duidelijk, maar er zijn aanwijzingen dat de aanvang van deze periode samenvalt met het begin van de bazuinoordelen (Openb.8:6). Omdat de tweede fase van de eindtijd voor het eerst genoemd wordt in hoofdstuk 11 is deze periode in ieder geval begonnen vóór het blazen van de zevende bazuin (11:15). Er zijn goede redenen om aan te nemen dat deze periode pas aanvangt na het openen van het zesde zegel (6:12-17). In 6:17 wordt gezegd dat de grote dag van de toorn van God en van het Lam is gekomen. De ‘dag van de Heer’ is in het OT niet een dag van 24 uur, maar eerder te omschrijven als de periode van Gods toorn en de daaropvolgende verlossing. Dit is ook hier het geval, zoals blijkt uit het feit dat er na Openb.6:17 nog eens vele hoofdstukken volgen met gebeurtenissen, die direct aan het einde voorafgaan. Op de vraag ‘wie kan dan bestaan?’ is het antwoord: niemand! Daarom worden nu na het zesde zegel eerst de ‘knechten van God’ verzegeld (hfst.7). Een tweede aanwijzing dat de tweede fase van de eindtijd aanvangt na het zesde zegel is de parallellie van de zes zegels in Openbaring 6 met het eerste deel van Jezus’ ‘rede over de laatste dingen’ (Matt.24:6-9,29 = Marc.13:7-9, 24-25 = Luc.21:9-12,25-26). Meerdere onderzoekers hebben op deze parallellie gewezen. De oordelen van de zegels volgen de beschrijving van Jezus in Zijn eindtijdrede: 1. oorlog/overwinning; 2. internationale conflicten; 3. hongersnood; 4. de pest (de dood); 5. vervolging; 6. tekenen aan zon, maan en sterren. Er is alleen verschil van mening over het gegeven of het eerste zegel staat voor het negatieve teken van de valse Christus (Matt.24:5) of voor het positieve teken van de verkondiging van het Evangelie (Matt.24:14). We kunnen dus langs deze weg de onduidelijke identiteit van de ruiter op het witte paard niet oplossen. Voor onze vraag naar de aanvang van de laatste fase van de eindtijd is het echter voldoende dat we zien dat de eerste vijf zegels parallel lopen met de tekenen die volgens Jezus heenwijzen naar het einde, maar zelf niet het einde zijn. Het ‘einde’ begint na het openen van het zesde zegel. Er zijn dus goede redenen om aan te nemen dat de laatste periode van de wereldgeschiedenis, die direct aan de wederkomst van Christus voorafgaat en die Johannes omschrijft met ‘tweeënveertig maanden’ of ‘twaalfhonderd zestig dagen’, begint tussen het oordeel van het zesde zegel (6:12-17) en dat van de eerste bazuin (8:7).

 

G. De antichrist in Openbaring

1. Het beest een bekende figuur

In het boek Openbaring wordt het beest voor het eerst genoemd in 11:7. Het gebruik van het lidwoord geeft aan dat Johannes het bij zijn lezers bekend veronderstelt: het is de in joods-christelijke kring bekende tegenspeler van God. Johannes veronderstelt hier blijkbaar de woorden van Daniël en Jezus bekend. Met name in Daniël lezen we over vier dieren die vier wereldmachten voorstellen. Het vierde dier heeft tien horens, waaruit een andere horen groeit die machtiger is dan de vorige (7:20) en die strijd voert tegen de heiligen (7:21). De kleine horen spreekt woorden tegen de Allerhoogste en de heiligen zullen in zijn handen vallen voor een tijd, tijden en een halve tijd (7:25). Het feit dat Daniël op de achtergrond aanwezig is, is in Openbaring 11 minder duidelijk dan in hoofdstuk 13. Dit komt doordat dit hoofdstuk over de twee getuigen gaat en het beest slechts zijdelings genoemd wordt. Toch herinnert het woordgebruik ‘oorlog voeren tegen’, wat enigszins typisch is wanneer het om twee of drie individuen gaat, duidelijk aan Dan.7:21.

 

2. Het beest en Israël

Naast de aanwezigheid van het beest geven ook de tweeënveertig maanden in vers 2 en de twaalfhonderd zestig dagen in vers 3 aan dat de gebeurtenissen in hoofdstuk 11 plaatsvinden ten tijde van de regering van het beest. Het is de periode waarin twee bijzondere getuigen zullen optreden, waarin de volkeren Jeruzalem zullen bezetten en de gelovigen ernstig bedreigd zullen worden. Zowel de aanwezigheid van de tempel (vs.1-2) als het feit dat hun lijken zullen liggen op de straat van Jeruzalem (vs.8), geven aan dat de twee getuigen zullen optreden in Israël. Het zijn twee eindtijdprofeten die optreden als Mozes en Elia (vs.5-6). Ze overwinnen elke tegenstand (vs.5), maar als ze hun getuigenis voltooid hebben, worden ze gedood door het beest (vs.7). Hun lijken liggen op de straat van Jeruzalem (vs.8) en mensen uit allerlei volken zijn getuige van wat er met hen gebeurt (vs.9-10). Ze verheugen zich en voelen zich opgelucht omdat ze waren ‘gekweld’ door het optreden van de twee getuigen. Hierbij moeten we niet denken aan innerlijke pijn als gevolg van hun prediking (waarvan de inhoud immers niet genoemd wordt), maar aan de door de getuigen bewerkte plagen en straffen (vs.5-6). Op de derde dag worden de twee getuigen opgewekt en in de hemel opgenomen (vs.11-12). Het lot van de profeten is tot op zekere hoogte gelijk aan dat van hun Heer: gedood in Jeruzalem, lijken tentoongesteld, opgewekt door God op de derde dag, opgenomen in de hemel. Het behoeft geen uitleg dat gelet op de houding van de volkeren en de actie van het beest, het wegvallen van de twee getuigen een enorme klap is voor de gemeenschap van gelovigen in Israël. Dat de volkeren met het beest heulen, blijkt ook uit vers 2, waar gezegd wordt dat Jeruzalem door de heidenen vertreden zal worden, tweeënveertig maanden lang. Het woord ‘vertreden’ (vgl. Jes. 63:18; Dan.8:13 en Luc.21:24) wijst erop dat zij de stad zullen ontwijden en plunderen. Met betrekking tot Israël vinden we in Openb.11 dus twee vormen van tegenstand: heidense overheersing (vs.1-2) die karakteristiek is voor de eindtijd (Ezech.38:10-12; Joël 3:9-14; Zach.14:2) en ten tweede de tegenstand van het beest door wie de twee getuigen gedood worden.

 

3. Het beest en het vierde dier uit Daniël 7

In hoofdstuk 13 krijgen we een duidelijker beeld van het beest. Het heeft kenmerken van alle vier dieren in Daniël 7 (zie comm.13:2) en evenals die vier dieren komt het beest uit de zee (Dan.7:3; Openb.13:1). De tien horens wijzen echter duidelijk op het vierde en laatste dier (Dan.7:7). De beschrijving van de ‘mond die grote woorden spreekt’ (13:5) herinnert verder duidelijk aan de kleine horen van het vierde dier in Dan.7:8,20, dat een ‘mond van grootspraak’ heeft. Ook het spreken over ‘oorlog voeren’ tegen de ‘heiligen’ (vs.7) wijst op het vierde dier in Daniël 7 (Dan.7:8,21, 25). Het beest uit de zee in Openbaring 13 is het vierde dier uit Daniël 7. Deze toespelingen duiden het beest primair als een wereldrijk en de hoorders in de eerste eeuw zagen in het vierde dier van Daniël 7 het Romeinse Rijk.

 

4. Het beest als anti-Christus

De beschrijving van het beest lijkt in meerdere opzichten op die van de draak uit hoofdstuk 12. Beide hebben zeven koppen en tien horens en beide dragen kronen (13:1; 12:3). Deze parallellie bevestigt het satanische karakter van het beest. De grondgedachte in de beschrijving is die van imitatie en perversie van God. Het beest wordt geduid als een anti-type van het Lam, een anti-Christus. De antigoddelijke macht verschijnt in een drievoudige gestalte: draak - beest - valse profeet. Het hoofd is de draak, de oude slang (12:9), de duivel en satan (12:10), de verleider (12:10; vgl. 1Kron. 21:1), de grote tegenstander van God in het Oude Testament. De draak wil en kan de wereld in de chaos storten (12:4a), maar Christus’ dood en opstanding hebben het satanisch geweld overwonnen, zodat hij uit de hemel is geworpen (12:5vv.). Deze onttroning is nog niet de definitieve uitschakeling. Op aarde kan de duivel zich in zijn laatste termijn uitleven (12:12). De laatste periode van de wereldgeschiedenis wordt gekenmerkt door een bijzonder heftige activiteit van satanische machten (bv. hfst.9; 12:12). De verheviging van zijn activiteit blijkt ondermeer hierin dat de ‘draak’ twee ‘beesten’ stuurt die hij heeft gevormd (13:2; 13:11). Bij beide ‘beesten’ speelt het thema van de imitatie en perversie een doorslaggevende rol. Terwijl Christus de naam ‘Koning der koningen en Here der heren’ draagt (19:11,12,16), staan er op de koppen van het beest ‘namen van godslastering’ (13:1). De dodelijke wond (13:3) wordt letterlijk verwoord met ‘als geslacht tot de dood’, zoals elders wordt gezegd van het Lam (5:6). Het spreekt van een gewelddadig einde. Het sterven en herleven van het beest is beschreven naar het voorbeeld van Christus. Christus’ sterven en opstanding worden door het beest geïmiteerd. Als tegenbeeld van de aanbidders van het Lam, die de naam van God op hun voorhoofd dragen (14:1; vgl. ook het contrast in 13:8), kent ook het beest de eis van aanbidding en van het dragen van een teken. Het beest vraagt universele aanbidding (13:3-4,8) en de functie van het tweede beest is de aanbidding van het eerste te bevorderen (13:12, 14,15) en te bewerken dat alle mensen het ‘teken’ van het beest aannemen (13:16-17). Een ‘teken’ werd gebruikt voor officiële documenten. Alleen door zo’n teken kon men bewijzen dat bijvoorbeeld een handelsovereenkomst legaal was of correct geformuleerd. Zo bewerkt de antichrist dat men alleen met dit teken iets kan kopen of verkopen (13:17). Een teken werd ook gedragen door leden van een bepaalde godsdienstige cultus, waar het teken op hand en voorhoofd duidelijk aan doet denken (13:15). Zo zien we dat het beest de heerschappij over de volkeren probeert te krijgen (13:7), die aan Jezus Christus is voorbehouden (5:9-10; 20:4-6). Verder lezen we dat het beest tien kronen draagt (13:1) zoals ook Christus vele kronen draagt (19:12). En het beest ontvangt zijn ‘kracht en zijn troon en zijn grote macht’ van de draak (13:2), zoals Christus in de kracht, de troon en de macht van God deelt (12:5,10). Tot slot horen we over ‘het beest dat was en niet is en zal opkomen’ (17:8). Dit is een dubbele parodie, namelijk op God ‘die is en die was en die komt’ (1:4,8; 4:8) en op Jezus die op aarde leefde, nu is verhoogd in de hemel en zal komen met de wolken (1:7; 3:11; 16:15; 22:7,12,20). We zien in het gehele boek Openbaring dat het beest wordt beschreven als een imitatie en perversie van God en dat het met name wordt voorgesteld als de grote tegenstander van Christus, de anti-Christus. Het is een persoon, in wie zich aan het einde der tijden al het kwaad zal concentreren.

 

5. De valse profeet

In Openb.13:11vv. wordt het tweede beest, het beest uit de aarde, besproken. Dit beest wordt beschreven als een valse profeet die tekenen doet (vs.14), en het wordt ook in het vervolg van het boek zo genoemd (16:13; 19:20; 20:10). De tekenen zijn imitaties van de tekenen die Christus doet. De valse profeet kan zelfs vuur op de aarde doen neerdalen (13:11). Dit doet denken aan de profeet Elia, maar omdat het geheel zo specifiek anti­typisch samengesteld is, kan ook een imitatie en perversie van het pinksterwonder bedoeld zijn (vgl. Hand.2:3,17vv.). Dit tweede beest heeft twee horens ‘als een lam’ (13:11), dit in tegenstelling tot het Lam dat zeven horens heeft (5:6). Zijn wezen wordt verraden door zijn spraak, want het spreekt ‘als een draak’ (13:11, draak = duivel, 12:9) en het vertegenwoordigt het gezag van het eerste beest (13:12,14-15). We noemden eerder al dat de valse profeet de bewoners van de aarde verleidt (13:13-14), hen tot aanbidding van het eerste beest brengt (13:12,14-15) en maakt dat iedereen het merkteken van het eerste beest ontvangt (vs.16-17). De hoofddaad van deze pseudo-profeet is dat hij de mensen ertoe aanzet een beeld te maken voor het beest, dat hij vervolgens laat leven. Het is heel goed mogelijk dat ook Paulus een beeld bedoelde toen hij zei dat de antichrist zich in de tempel zal manifesteren (2Thess.2:5). De omschrijving van het tweede beest, de valse profeet, is te algemeen om aan een specifieke cultus zoals bijvoorbeeld de Romeinse priesterdienst te denken. Het ligt overigens wel voor de hand dat de eerste hoorders of lezers hieraan gedacht hebben. Maar het ‘beeld’ dat opgericht wordt, staat voor beeldendienst en valse religie (vgl. Ex.20:4). Alle valse religie is een dienen van de antichrist. Als van de pseudo-profeet gezegd wordt dat hij het beeld ‘het leven schenkt’, (13:15) wordt hij daarmee getekend als het satanische tegenbeeld van de Heilige Geest (vgl. Joh. 6:63). Ook het tweede beest heeft dus het karakter van de draak en wordt antitypisch beschreven. Het trinitarisch concept doet bij het tweede beest een imitatie van de Geest van God vermoeden. Ook de naam ‘valse profeet’ ondersteunt dit. Het tweede beest is de openbaringsinstantie van het eerste, zoals de Heilige Geest bemiddelt in de openbaring van God (2:7; 14:13;19:10). Deze pseudo-geest brengt de mensen tot aanbidding van het beest (13:12), zoals de Heilige Geest leidt tot aanbidding van God.

 

6. Het getal 666

Aan het slot van het hoofdstuk over het beest en de valse profeet noemt Johannes een getal waaraan men het beest kan herkennen (13:18). Dit getal, 666, heeft in de loop van de kerkgeschiedenis tot geweldig veel speculatie geleid. Methodisch gezien zijn er minstens drie of vier verschillende benaderingen om het getal te verklaren. Volgens de eerste opvatting is 666 een symbolisch getal, waarvan de betekenis schuilt in het gekozen getal zelf. Het getal 7 duidt in het bijbelse spraakgebruik vaak op volheid en volmaaktheid; het getal 6 zit daar net onder en drukt zodoende onvolmaaktheid uit; driemaal 6 (666) is dan uitdrukking van onvolmaaktheid ten top, een tegensymbool van 777 (later in de kerkgeschiedenis het getal van de goddelijke drie-eenheid) en 888 (een getal dat in een vroeg-christelijk geschrift als getal van Jezus wordt genoemd). Tegen een symbolische duiding pleit dat het een getal is dat berékend moet worden (en dus niet als zodanig meteen duidelijk is). Bovendien is het aangehaalde voorbeeld van 888 als aanduiding van Jezus geen symbolisch getal, maar een cryptogram, dat berust op getallenmystiek (zie hieronder) en is 777 in de genoemde betekenis in de tijd van Johannes niet aanwijsbaar. Volgens de tweede opvatting is 666 een zgn. ‘driehoeksgetal’. Het is namelijk de som van alle getallen tussen 1 en 36, en 36 is de som van alle getallen van 1 tot 8. Er moet dus gerekend worden en het getal acht speelt in 17:11 inderdaad een rol bij de typering van het beest. Probleem bij deze optie is dat de oplossing geen enkel inzicht biedt in de identiteit van het beest, terwijl dat juist wel de bedoeling is. Volgens de derde opvatting is 666 een getal dat volgens de methode van gematria (Hebreeuws) of isops?phia (Grieks) is samengesteld: de getalswaarde van de naam van het beest komt overeen met het getal 666. Johannes sluit hier aan bij een algemeen gebruik in de Oudheid om de letters van het alfabet als telwoord te gebruiken (in de zin van: a = 1, b = 2, enz.), zodat namen niet alleen in letters, maar ook in cijfers konden worden weergegeven en andersom (cijfers in letters). Zo is het zojuist genoemde getal 888 als aanduiding van Jezus (Ie¯sous in het Grieks) opgebouwd uit de letters i = 10 + ? = 8 + s = 200 + o = 70 + u = 400 + s = 200). Van de vele voorgestelde oplossingen om via deze weg het getal 666 als aanduiding van het beest te ontrafelen, is Neron Kaisar ‘keizer Nero’ de meest gehoorde verklaring. Een probleem is hier dat in het Grieks noch de naam Nero noch Nero Caesar de vereiste getalswaarde oplevert. Wanneer we echter uitgaan van het Hebreeuwse alfabet en de Hebreeuwse spelling van de naam Nero Caesar (nl. de medeklinkers n-r-w-n q-s-r), dan is het resultaat 666 (n = 50 + r = 200 + w = 6 + n = 50 + q = 100 + s = 60 + r = 200; deze spelling komt voor in de Dode-Zeerollen en in de Talmoed). Een interessant gegeven hierbij is dat wanneer de Hebreeuwse naam volgens de Latijnse spelling geschreven wordt (d.w.z. zonder de n achter de naam Nero) de uitkomst 616 is, een variatie die al heel vroeg opgeld deed in de vroege kerk. Met deze derde optie is overigens niet gezegd dat de historische keizer Nero de antichrist is; wel dat wanneer de antichrist ten tonele verschijnt, hij alle trekken van de wrede en gevreesde keizer Nero zal vertonen. Een vierde verklaring is gebaseerd op de schrijfwijze ? ? ? voor het getal 666, die we in veel handschriften en bij de kerkvader Ireneüs vinden. In deze schrijfwijze ziet men de letters waarmee de naam Christus in de Oudheid werd afgekort (? ?; de ? is in het Grieks de eerste letter van Christus en de ? de laatste), met daartussen het teken van de slang, de letter ?. Zo bekeken is het getal van het beest een duivelse vervorming van de titel van de Here Jezus en het kenmerkt dus het beest als een satan en een anti-Christus. Het probleem van deze uitleg is dat niet alle handschriften deze schrijfwijze hebben en verder ook dat Johannes zegt dat het getal berekend kan worden. Samenvattend kunnen we stellen dat over de oplossing van het getal van het beest het laatste woord nog niet gezegd is.

 

7. Beest en Babylon

We komen het beest opnieuw tegen in de beschrijving van Babylon in Openbaring 17 en 18. Dit Babylon is niet het historische Babel, maar is een beeld van het antigoddelijke rijk van de eindtijd. Door de verbinding met het beest wordt Babylon betrokken in het antichrist-thema. Babylon is de stad en het rijk van de antichrist, waar het volk van God vervolgd wordt (17:6). Hier speelt ook het tegenbeeld een rol. De hoer in hoofdstuk 17 is het antitype van de vrouw in hoofdstuk 12. Het Babylon is daarom niet alleen een demonische werkelijkheid, maar, evenals de vrouw, een mensengemeenschap (vgl. het nieuwe Jeruzalem in 21:9-10). In 18:3 lezen we dat dit Babylon de hele wereld deelgenoot heeft gemaakt van haar goddeloosheid. En dit is niet alleen op religieus gebied. Er is sprake van samenwerking met de koningen en kooplieden van de aarde, met andere woorden met politieke en economische machten. Babylon is dus niet alleen een godsdienstig systeem, maar ook een politiek en economisch systeem. De hele wereld is besmet geraakt met de geest van Babylon en van het beest. Als de gelovigen dus te horen krijgen: ‘gaat uit van haar, mijn volk’ (18:4) dan betekent dit niet alleen het afleggen van een valse godsdienst, van ongeloof en afgoderij, maar ook het verlaten van een antichristelijk politiek en economisch systeem. Evenals reeds zichtbaar werd bij de bespreking van de brieven van Johannes en van 2 Thessalonicenzen, is ook in het boek Openbaring duidelijk dat de antichrist niet alleen een persoon is maar ook een macht. Dit antichristelijke systeem is bovendien niet alleen een zaak van de toekomst, maar is in alle tijden meer of minder aanwezig. Het ‘beest uit de zee’ symboliseert de antichrist als antichristelijke macht, die zich door de eeuwen heen manifesteert als tegenstander van het Koninkrijk van God (zie comm. 11:7 en 13:1). In concrete vorm manifesteert deze macht zich in de eerste plaats in de loochening van wie de Here Jezus Christus is (1Joh.2:18-23; 4:3; 2Joh.8). We zien dit verschijnsel vanaf de tijd van Johannes tot op de dag van vandaag. Ten tweede zijn er in alle tijden vorsten en overheden die absolute onderwerping eisen en de gelovigen vervolgen (Openb.1:9; 2:9-10,13; 7:14; hfst.13). Dergelijke overheden zijn instrumenten van Gods tegenstander. Ook het wijdverbreide antisemitisme is een product van het antichristelijk denken. In de derde plaats is Babylon blijkens Openb.17-18 een financieel-economisch systeem in combinatie met ernstige morele perversie (bv. 17:2; 18:3). De ‘groten der aarde’ blijken tot het ergste kwaad bereid en in staat te zijn, als zij hun machtspositie maar niet verliezen. Zo was het in de tijd van Johannes en zo voorzegt hij dat het zal zijn, terwijl het zich tegen het einde, vlak voor de wederkomst van Christus, nog eens zal verhevigen. Tegenover deze antichristelijke macht kan niemand neutraal staan; ieder wordt geroepen positie te kiezen (18:4).

 

8. Het beest dat was en niet is en zal komen

‘Het beest dat u zag, was en is niet, en het zal opkomen uit de afgrond’ krijgt Johannes te horen in Openb.17:8. We zagen al dat dit een parodie op God en Christus is. We zullen terughoudend moeten zijn in het geven van historische interpretaties. De tekst wil met de gegeven omschrijving het beest kenmerken als een anti-Christus. Historische duidingen zijn dus hooguit historische toepassingen. Evenals in hoofdstuk 13 heeft het beest in hoofdstuk 17 zeven koppen en tien horens (17:3). In het verleden had het beest zich al gemanifesteerd. Ten tijde dat Johannes zijn boek schrijft is het beest niet actief, maar dit wordt wel weer verwacht voor de nabije toekomst. Hetzelfde hoorden we met andere woorden in 13:3 ‘En [ik zag] een van zijn koppen als ten dode gewond, en zijn dodelijke wond genas’. Het is van belang op te merken dat Johannes niet alleen zegt dat de kop van het beest een dodelijke wond heeft, maar ook dat het beest zélf deze wond heeft, die geneest (13:14; 17:8; zie ook comm. 13:3). We moeten bij de dodelijke wond dus niet aan de antichrist als persoon denken, maar aan het antichristelijk rijk. Er wordt gesproken over het verval en de herleving van de antichristelijke macht in de eindtijd. Als Johannes met de uitleg van de koppen als ‘koningen’ in 17:10 keizers bedoelt, is het mogelijk dat hij met ‘het beest dat was’ op de vervolging onder Nero doelt. Als hij met ‘koningen’ meer algemeen (in de lijn van Daniël) aan heersers (met hun rijk) heeft gedacht, is het goed mogelijk dat hij bij ‘het beest dat was’ Antiochus IV Epifanes op het oog heeft gehad, die in de tweede eeuw vóór Christus een onuitwisbaar bloedig spoor in de geschiedenis van het joodse volk heeft getrokken. Johannes zegt dat op het moment van schrijven het de tijd van de zesde koning is, dat wil zeggen de voorlaatste. Het einde is nabij. Hoe we ‘koning’ ook opvatten, als het meer algemene ‘heerser’ of als ‘keizer’, in beide gevallen wordt de verwachting uitgesproken dat in de (nabije) toekomst een herleving zal plaatsvinden van dit antigoddelijke rijk. En dat zal zijn laatste manifestatie zijn. Van het beest wordt in 13:2 gezegd dat het kenmerken van alle vier dieren in Daniël 7 heeft (zie comm.13:2). Het beest kan dus getypeerd worden als de antigoddelijke wereldmacht in het algemeen en de koppen zijn de concrete belichamingen ervan. We zien hier nu dat er twee koppen zijn waarin het beest meer beest is dan in de andere (17:10-11). Eén van beide is er al geweest, maar de tweede en laatste, die een herleving is van de voorlaatste, moet nog komen. Het beest heeft dus een tweevoudige betekenis: het is de ‘antichristelijke’ wereldmacht in de geschiedenis en het is het rijk van de antichrist in de eindtijd.

 

9. De val van Babylon en de strijd bij Harmagedon

Het beest en de tien koningen die in de eindtijd een verdrag sluiten, en die aanvankelijk medestanders van de stad Babylon zijn (17:12-13), keren zich op een gegeven moment tegen de stad. Zij zullen de ‘hoer’ haten en haar met vuur verbranden (17:16). Aangezien het bij de ‘hoer’ niet alleen om een stad gaat maar ook om haar inwoners, om een volk, wordt ons hier een burgeroorlog geschilderd tussen de antichrist en de tien koningen enerzijds en de hoofdstad van het rijk anderzijds. Het grote Babylon, het antichristelijke rijk van de eindtijd, raakt verdeeld. De profeten in het OT voorzagen al een eschatologische situatie van chaos onder de vijanden van God, wanneer een ieder het zwaard zou oppakken tegen zijn naaste (Ezech.38:21; Hag. 2:23; Zach.14:13). De koningen en de kooplieden van de aarde die zowel op politiek als op economisch niveau met haar hebben samengewerkt, blijven nu op veilige afstand van de stad om niet ook zelf door het oordeel getroffen te worden (18:9-19). Ze steken geen hand uit om haar te helpen. Hun eigen veiligheid gaat nu voor. Ze weeklagen wel, maar dit is louter zelfbeklag. Hun afzetgebied en bron van inkomsten zien ze in vlammen opgaan. Er wordt een lange opsomming gegeven van de rijkdommen die nu verdwenen zijn. Echter, het passief op een afstand toekijken is van korte duur. De regeerders van de wereld worden opnieuw bewerkt door het beest. De demonische drie-eenheid heeft een heel leger boze geesten tot zijn beschikking. Uit de bek van de draak, het beest en de valse profeet komen drie onreine geesten (16:14,16). Deze doen wonderen en tekenen en hebben de opdracht om alle koningen van de aarde te verzamelen tot de laatste beslissende oorlog, de ‘oorlog op de grote dag van de almachtige God’. Daarmee zijn alle voorbereidingen getroffen voor de uiteindelijke, beslissende strijd tussen de draak en de Messias, de strijd bij Harmagedon. Ook de tien koningen, die met het beest streden tegen de stad Babylon, strijden weer mee, maar nu tegen het Lam (17:14). Deze strijd loop uit op de nederlaag van het beest en de valse profeet, die wordt beschreven in 19:17-21. We lezen hier dat de antichrist, de koningen van de aarde en hun legers in slagorde opgesteld staan om de strijd met Christus en Zijn leger aan te binden. Alles en iedereen staat paraat om de grote eindstrijd aan te gaan. Maar in plaats van een spectaculair verslag van de strijd wordt slechts summier de afloop getekend. Van een strijd is eigenlijk geen sprake. Het beest en de valse profeet worden levend in de poel van vuur geworpen. De overige tegenstanders, de koningen der aarde en hun legers, worden gedood. De draak, de duivel, wordt voor een periode van duizend jaren opgesloten in de ‘afgrond’ (20:1-3). Dan breekt de heerschappij van Christus op aarde aan, een wereldwijd rijk van volkomen vrede waarin Christus en Zijn volgelingen in volmaakte harmonie mogen leven (zie de excurs ‘Het duizendjarig rijk’).